Volgende: Foutvoortplanting
Omhoog: Foutberekening en opgave van
Vorige: Fouten systematisch of toevallig.
Inhoudsopgave
Stel, dat bij een experiment o.a. de grootheid
moet worden bepaald.
Het streven is dan de werkelijke waarde van
te achterhalen
.
Dat kan echter alleen als er oneindig veel waarnemingen aan
worden
verricht.
Het rekenkundig gemiddelde van deze waarnemingen zal dan gelijk zijn aan
(als er tenminste geen systematischefout gemaakt wordt).
In de praktijk moeten we ons natuurlijk tevreden stellen met een eindig
aantal waarnemingen zodat het vinden van
principieel onmogelijk is.
Als er
waarnemingen aan
gedaan worden, geven we het rekenkundig
gemiddelde
op als de beste waarde voor
met:
met  |
(3.1) |
Als maat voor de spreiding in de waarnemingsreeks gebruiken we de
standaard afwijkings volgens:
 |
(3.2) |
Na enige herleiding ontstaat de meer hanteerbare uitdrukking:
 |
(3.3) |
Met
is het gemiddelde kwadraat en
het kwadraat van het gemiddelde.
Deze
is (voor
) niet afhankelijk van
, maar wel van de nauwkeurigheid van de meetmethode; hoe nauwkeuriger de methode hoe kleiner
.
Wanneer de reeks van
waarnemingen een aantal malen als geheel zou
worden herhaald zou dat evenveel waarden voor
opleveren die
onderling ook weer een spreiding vertonen.
Als maat voor deze spreiding bestaat de bestaat de standaardafwijking van het gemiddelde of de middelbare fout
Tussen
en
bestaat het verband:
en dus  |
(3.4) |
Aangezioen we
opgeven is
een maat voor de fout van
de afwijking ten opzichte van
.
We geven nu een interval op volgens
waarbij
de fout van
wordt genoemd en waarvan de grootte bepaald wordt door
.
Om nu een kans van 95 procent te hebben dat x in het opgeven interval ligt nemen we
(zie statistiek).
Op deze manier kunnen voor alle grootheden, die bij een experiment gemeten
moeten worden
de fouten
berekend worden.
Om
volgens forumle 3.4 te berekenen is nogal wat rekenwerk vereist,
maar er bestaat een benadering die voor de foutberekening goed voldoet.
We gaan hierbij uit van:
 |
(3.5) |
Uit de statistiek blijkt nu, dat met een goede benadering voor
geldt:
 |
(3.6) |
Als het nodig is, kan hieruit een overeenkomstige uitdrukking voor
worden afgeleid volgens
:
 |
(3.7) |
In plaats van formule 3.4 kan dus de minder rekenwerk vragende uitdrukking 3.6 gebruikt worden.
Voor gevallen, dat er maar één waarneming wordt gedaan
gaat het bovenstaande niet meer op en moet de fout van de waarneming geschat worden, zoals bijvoorbeeld bij een éénmalige aflezing van een wijzerstand langs een schaalverdeling.
Hierbij kunnen constructieve problemen als een de zogenaamde parallax een rol spelen, waarop hier niet nader wordt ingegaan.
Vaak geeft de fabrikant van het betreffende apparaat de fout op in de begeleidende documentatie.
Volgende: Foutvoortplanting
Omhoog: Foutberekening en opgave van
Vorige: Fouten systematisch of toevallig.
Inhoudsopgave
Cees Keyer
2007-04-10