Bij ieder experiment worden fouten gemaakt; zelfs al zou de gebruikte
apparatuur ideaal zijn, dan nog zijn er fouten, die door de waarnemer
zelf gemaakt worden, zoals fouten bij aflezingen, mogelijk gebruik van
een verkeerde formule, die voor het beschouwde geval slechts een
benadering is, rekenfouten e.d.
Deze fouten hebben tot gevolg, dat ook het eindresultaat van het
experiment fout is.
De experimentator moet bij zijn opgave van het eindresultaat tevens
opgeven hoe groot de fout is; doet hij dat niet,
dan is zijn opgave zeer onvolledig en eigenlijk zinloos.
Het nu volgende zal handelen over de vraag, hoe de fout in het
eindresultaat kan worden berekend, voorzover het eindresultaat in de vorm
van een getal wordt weergegeven.
Dit diktaat is gebaseerd op het diktaat geschreven door ir. C. de Boer,
oud docent aan de HTS `A'.